www.Hobby-Electronics.info

  • Vergroot lettergrootte
  • Standaard lettergrootte
  • Verklein lettergrootte

Diode- en transistortester

Met deze schakeling kunnen we heel eenvoudig diodes en transistors testen. Bij diodes vertelt het ons welke kant de kathode is en bij transistors of het een NPN- of PNP-transistor is.

Rond opamp U1.A is een oscillator opgebouwd. Wanneer de voeding wordt aangesloten, is C1 nog leeg en de spanning erover dus 0V. De uitgang zal daarom gelijk zijn aan de voedingsspanning. We zeggen ook wel dat de uitgang 'hoog' is. Via R4 wordt C1 opgeladen. Zodra de spanning erover groter is dat de spanning op pen 3, wordt de uitgang van de opamp 0V, ofwel 'laag'. C1 ontlaadt zich nu via R4 totdat de spanning lager is dat die op pen 3. En dan begint alles weer van voren af aan. Weerstand R3 zorgt voor de nodige hysteresis.

De inverterende ingang van U1.B is verbonden met de niet-inverterende ingang van U1.A en vice versa. De spanning op pen 7 is dus in tegenfase met de spanning op pen 1. Dat wil zeggen: als pen 1 'hoog' is, is pen 7 'laag' en omgekeerd.

We sluiten nu een testdiode aan tussen de pennen 1 en 3 van J1, met de kathode aan pen 1. Wanneer de uitgang van U1.B 'hoog' is (en de uitgang van U1.A dus 'laag'), dan kan er een stroom lopen van de uitgang van U1.B via de testdiode, D2 en R7 naar de uitgang van U1.A. LED D2 zal dan dus branden. Wanneer de oscillator de uitgangen van de opamps laat omklappen, kan er geen stroom meer lopen. De testdiode staat immers in sperrichting. Eigenlijk knippert D2 dus, maar de frequentie van de oscillator is zo hoog dat we dit niet zien; D2 lijkt continu te branden. Draaien we testdiode om, dan kan alleen D1 branden. Zo kunnen we dus eenvoudig zien aan welke kant de kathode zit. Ook kunnen we zien of de diode goed werkt: als beide LED's branden, geleidt de testdiode blijkbaar in beide richtingen en is dus defect. Als geen van beide LED's oplichten, dan spert de diode in beide richtingen en kunnen we haar ook in de prullenbak gooien.

Nu sluiten we een NPN-transistor aan op J1. De plaats waar de collector, basis en emitter moeten komen, staan in het schema vermeld. Wanneer de uitgang van U1.A 'hoog' is, kan er stroom lopen van de uitgang via R5, de basis en emitter van de testtransistor naar de uitgang van U1.B die op dat moment uiteraard 'laag' is. Een werkende testtransistor gaat nu geleiden, zodat er stroom loopt van U1.A, via R6, D1, de collector en emitter van de testtransistor naar U1.B. Bij een NPN-transistor licht D1 dus op. Bij een PNP-transistor zal D2 oplichten. En ook hier geldt: als beide LED's oplichten of gedoofd bijven, dan is de transistor defect.

Om het nabouwen te vergemakkelijken is er een print ontworpen waarop alle componenten een plaatsje krijgen. Het printontwerp is te downloaden in de formaten JPEG, EPS en HPGL. Hoe we zelf printjes kunnen maken, wordt in een van de appendices uitgelegd.

Onderstaande afbeelding toont waar welke component geplaatst moet worden.

J1 is een 5-polig voetje. We hebben aan 3 polen natuurlijk genoeg om een transistor te testen, maar deze opzet heeft als voordeel dat we elke transistor kunnen testen ongeacht of de basis, de collector of de emitter in het midden zit. Met een 3-polig voetje zouden we bij sommige transistoren de pootjes in allerlei bochten moeten wringen met mogelijk kortsluiting als gevolg.

Als voeding kunnen we een 9V-batterij gebruiken of 4 penlites in serie.

U bent bezoeker nummer: