www.Hobby-Electronics.info

  • Vergroot lettergrootte
  • Standaard lettergrootte
  • Verklein lettergrootte

Stroombegrenzing

Wanneer de uitgangsstroom toeneemt, neemt ook de spanning over R11 toe. Deze spanning wordt versterkt door het circuit rond opamp U2. De versterking wordt bepaald door potmeter P1. Wanneer de uitgangsspanning van U1 hoger wordt dan 0.6V, gaat T4 geleiden. Dit veroorzaakt een stroom door T3, die daardoor ook gaat geleiden. De stroom door R19 laat de afknijptor in de LM723 geleiden en de uitgangsspanning wordt 0V. De uitgangsstroom wordt hierdoor natuurlijk 0A, en UR14 wordt 0V. Echter, T3 voedt ook T4 via R16, dus blijft de uitgangsspanning 0V totdat schakelaar S1 wordt gesloten.

WAARSCHUWING: verwijder eerst de belasting en sluit dan pas S1. De stroombegrenzing werkt niet zolang S1 gesloten is!

Op het eerste gezicht is het misschien vreemd om te zien dat de spanning over R14 eerst gedeeld wordt door R12 en R13 en vervolgens versterkt wordt door U1. In het ergste geval wordt de OUT-klem kortgesloten met de GND-klem. Dit betekent dat de volledige uitgangsspanning over R14 staat. Deze spanning kan wel 30V of meer zijn. De voedingsspanning van U2 is echter maar 15V. Als de niet-inverterende ingang direkt verbonden zou zijn met de GND-klem, zou opamp U1 defect raken, omdat de ingangsspanning nooit hoger mag zijn dan de voedingsspanning. R12 en R13 zorgen ervoor dat de ingangsspanning van U2 nooit hoger wordt dan 15V.

Condensator C1 voorkomt dat de stroombegenzing al bij kortstondige stroompieken in werking treedt.

U bent bezoeker nummer: